ModulePRODit is een LSSO Pro-examen
Management
Dit is een LSSO Pro-examen. Lees meer over LSSO Pro.

Goed management zorgt ervoor dat mensen, middelen en processen binnen een organisatie op elkaar worden afgestemd. Managers stellen doelen, maken keuzes, organiseren werkzaamheden, begeleiden medewerkers en bewaken of resultaten worden bereikt.
Tijdens het examen Management laat je zien dat je begrijpt hoe organisaties functioneren en hoe managementbeslissingen invloed hebben op medewerkers, processen en resultaten. Je werkt met onderwerpen zoals strategie, planning, organisatiestructuren, leiderschap, personeelsbeleid, kwaliteit en veranderen.
Het examen richt zich niet alleen op klassieke managementtheorie. Ook actuele ontwikkelingen binnen organisaties komen aan bod. Denk aan samenwerken in teams, duurzame inzetbaarheid, digitalisering, het gebruik van managementinformatie en de invloed van nieuwe technologie op werk en besluitvorming.
Je laat zien dat je managementbegrippen kunt herkennen en toepassen in praktijksituaties. Waar dit bij de eindtermen past, beoordeel je informatie, vergelijk je mogelijkheden en onderbouw je welke managementaanpak het beste bij een situatie past.
Bij een voldoende resultaat ontvang je het LSSO-certificaat Management. Hiermee toon je aan dat je de getoetste kennis en vaardigheden op het vastgestelde niveau beheerst. Afhankelijk van jouw leerroute kan het certificaat onderdeel zijn van een bredere LSSO-diplomaroute.
Management: eind- en toetstermen
K = kennisvragen | B = begripsvragen | T = toepassingsvragen | A = analysevragen
1. Organisatie en omgeving
1.1 De kandidaat begrijpt het begrip management en kan de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van management binnen een organisatie herkennen.
1.2 De kandidaat begrijpt de begrippen organisatie, onderneming en bedrijf en kan deze in praktijksituaties van elkaar onderscheiden.
1.3 De kandidaat begrijpt hoe interne en externe ontwikkelingen invloed kunnen hebben op een organisatie en kan relevante omgevingsfactoren herkennen en beoordelen.
1.4 De kandidaat begrijpt dat organisaties te maken hebben met wet- en regelgeving en kan beoordelen welke gevolgen relevante regelgeving voor een eenvoudige bedrijfssituatie kan hebben.
1.5 De kandidaat kent de belangrijkste rechtsvormen en begrijpt op hoofdlijnen welke verschillen tussen rechtsvormen voor een organisatie van belang zijn.
1.6 De kandidaat begrijpt de positie van organisaties binnen sectoren, ketens en samenwerkingsverbanden en kan relaties tussen organisaties herkennen.
2. Management- en besluitvormingsprocessen
2.1 De kandidaat begrijpt het verschil en de samenhang tussen primaire, ondersteunende en besturende processen binnen een organisatie.
2.2 De kandidaat begrijpt strategisch, tactisch en operationeel management en kan managementvraagstukken aan het juiste niveau koppelen.
2.3 De kandidaat begrijpt het besluitvormingsproces en kan bij een eenvoudig managementvraagstuk relevante informatie, alternatieven en consequenties beoordelen.
2.4 De kandidaat kan op basis van beschikbare informatie een beargumenteerde managementkeuze maken.
3. Doelstellingen en strategie
3.1 De kandidaat begrijpt de samenhang tussen missie, visie, organisatiedoelstellingen en afgeleide doelstellingen en kan beoordelen of doelstellingen duidelijk en bruikbaar zijn geformuleerd.
3.2 De kandidaat kan voor een eenvoudige praktijksituatie een SMART-doelstelling formuleren.
3.3 De kandidaat begrijpt hoe interne sterkten en zwakten en externe kansen en bedreigingen invloed hebben op strategische keuzes en kan een eenvoudige SWOT-analyse interpreteren.
3.4 De kandidaat kan op basis van organisatiedoelstellingen en beschikbare informatie een eenvoudige strategie of aanpak voorstellen en onderbouwen.
4. Plannen, organiseren en beheersen
4.1 De kandidaat begrijpt het belang van planning en kan onderscheid maken tussen planning op strategisch, tactisch en operationeel niveau.
4.2 De kandidaat kan een passende planningsmethode of planningstechniek kiezen en toepassen in een eenvoudige praktijksituatie.
4.3 De kandidaat begrijpt het belang van prioriteiten, beschikbare capaciteit, tijd, middelen en afhankelijkheden bij het maken van een planning.
4.4 De kandidaat kan voortgang en resultaten vergelijken met een planning of doelstelling en op basis van afwijkingen een passende bijsturing voorstellen.
5. Taakverdeling, verantwoordelijkheid en samenwerking
5.1 De kandidaat begrijpt arbeids- en taakverdeling en kan beoordelen hoe taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen een organisatie kunnen worden verdeeld.
5.2 De kandidaat begrijpt horizontale en verticale taakverdeling, delegatie, taakverruiming en taakverrijking en kan deze begrippen in praktijksituaties toepassen.
5.3 De kandidaat begrijpt de relatie tussen spanwijdte, omspanningsvermogen, verantwoordelijkheid en de wijze waarop medewerkers worden aangestuurd.
5.4 De kandidaat begrijpt het belang van samenwerken tussen functies, afdelingen en teams en kan knelpunten in de samenwerking herkennen.
6. Organisatiestructuren en moderne manieren van organiseren
6.1 De kandidaat begrijpt gangbare organisatiestructuren en kan een organisatieschema lezen en interpreteren.
6.2 De kandidaat begrijpt het verschil tussen formele en informele organisatie en kan de invloed daarvan op samenwerking en communicatie beoordelen.
6.3 De kandidaat kan beoordelen welke organisatiestructuur of wijze van organiseren past bij een eenvoudige praktijksituatie.
6.4 De kandidaat begrijpt het werken met projecten, multidisciplinaire teams, hybride samenwerking en andere flexibele organisatievormen en kan hiervan voor- en nadelen beoordelen.
7. Leiderschap, motivatie en teamontwikkeling
7.1 De kandidaat begrijpt verschillende leiderschapsstijlen en kan beoordelen welke stijl past bij een medewerker, team of situatie.
7.2 De kandidaat begrijpt hoe motivatie, betrokkenheid, autonomie en verantwoordelijkheid het functioneren van medewerkers kunnen beïnvloeden.
7.3 De kandidaat begrijpt organisatie- en teamcultuur en kan herkennen hoe cultuur gedrag, samenwerking en prestaties beïnvloedt.
7.4 De kandidaat begrijpt hoe conflicten en weerstand kunnen ontstaan en kan voor een eenvoudige situatie een passende aanpak voorstellen.
7.5 De kandidaat begrijpt het belang van feedback, communicatie en psychologische veiligheid voor samenwerking en ontwikkeling binnen een team.
8. Personeel en duurzame inzetbaarheid
8.1 De kandidaat begrijpt de belangrijkste onderdelen van personeelsbeleid, waaronder instroom, ontwikkeling, functioneren, beoordelen, doorstroom en uitstroom.
8.2 De kandidaat begrijpt het belang van leren en ontwikkelen, duurzame inzetbaarheid, werkdruk en welzijn van medewerkers.
8.3 De kandidaat kan eenvoudige personeelsvraagstukken beoordelen vanuit zowel het belang van de organisatie als het belang van de medewerker.
8.4 De kandidaat begrijpt op hoofdlijnen de rol van de leidinggevende bij functioneren, verzuim, ontwikkeling en beëindiging van arbeidsrelaties.
9. Kwaliteit, verandering en continu verbeteren
9.1 De kandidaat begrijpt het doel van kwaliteitsmanagement en kan beoordelen hoe kwaliteit binnen een werkproces kan worden bewaakt en verbeterd.
9.2 De kandidaat begrijpt het principe van plannen, uitvoeren, controleren en bijsturen en kan dit toepassen op een eenvoudig verbeterproces.
9.3 De kandidaat begrijpt waarom organisaties veranderen en kan oorzaken van weerstand tegen verandering herkennen en beoordelen.
9.4 De kandidaat kan voor een eenvoudige verander- of verbetersituatie passende acties voorstellen om medewerkers te informeren, betrekken en ondersteunen.
10. Bedrijfsprocessen en managementinformatie
10.1 De kandidaat begrijpt de samenhang tussen belangrijke bedrijfsprocessen, waaronder financiële, commerciële, logistieke, personele en operationele processen.
10.2 De kandidaat kan eenvoudige managementinformatie gebruiken om prestaties, voortgang of afwijkingen te beoordelen.
10.3 De kandidaat begrijpt het verschil tussen effectiviteit en efficiency en kan beide begrippen toepassen op een bedrijfsproces.
10.4 De kandidaat kan op basis van eenvoudige gegevens een knelpunt in een bedrijfsproces herkennen en een verbetervoorstel doen.
11. Management in de actuele organisatie
11.1 De kandidaat begrijpt hoe digitalisering en technologische ontwikkelingen invloed kunnen hebben op werkzaamheden, processen en management.
11.2 De kandidaat begrijpt dat managers bij besluitvorming rekening houden met verschillende belangen, waaronder medewerkers, klanten, organisatie, maatschappij en duurzaamheid.
11.3 De kandidaat begrijpt kansen en risico’s van het gebruik van data en digitale hulpmiddelen bij management en besluitvorming.
11.4 De kandidaat begrijpt op hoofdlijnen hoe AI en automatisering werkzaamheden en besluitvorming binnen organisaties kunnen ondersteunen en welke verantwoordelijkheid bij de mens en de organisatie blijft liggen.
Kennis (K) | Begrip (B) | Toepassing (T) | Analyse (A) |
10% | 25% | 40–45% | 20–25% |
Onderbouwing: Management vraagt naast begripskennis vooral toepassing en analyse van organisatie-, leiderschaps- en veranderkundige situaties. Daarom is het aandeel analyse relatief hoog.
Nr. | Omschrijving | K | B | T | A |
1.1 | De kandidaat begrijpt het begrip management en kan de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van management binnen een organisatie herkennen. | X | X | ||
1.2 | De kandidaat begrijpt de begrippen organisatie, onderneming en bedrijf en kan deze in praktijksituaties van elkaar onderscheiden. | X | X | X | |
1.3 | De kandidaat begrijpt hoe interne en externe ontwikkelingen invloed kunnen hebben op een organisatie en kan relevante omgevingsfactoren herkennen en beoordelen. | X | X | X | |
1.4 | De kandidaat begrijpt dat organisaties te maken hebben met wet- en regelgeving en kan beoordelen welke gevolgen relevante regelgeving voor een eenvoudige bedrijfssituatie kan hebben. | X | X | ||
1.5 | De kandidaat kent de belangrijkste rechtsvormen en begrijpt op hoofdlijnen welke verschillen tussen rechtsvormen voor een organisatie van belang zijn. | X | X | ||
1.6 | De kandidaat begrijpt de positie van organisaties binnen sectoren, ketens en samenwerkingsverbanden en kan relaties tussen organisaties herkennen. | X | X | ||
2.1 | De kandidaat begrijpt het verschil en de samenhang tussen primaire, ondersteunende en besturende processen binnen een organisatie. | X | X | ||
2.2 | De kandidaat begrijpt strategisch, tactisch en operationeel management en kan managementvraagstukken aan het juiste niveau koppelen. | X | X | X | |
2.3 | De kandidaat begrijpt het besluitvormingsproces en kan bij een eenvoudig managementvraagstuk relevante informatie, alternatieven en consequenties beoordelen. | X | X | X | |
2.4 | De kandidaat kan op basis van beschikbare informatie een beargumenteerde managementkeuze maken. | X | X | ||
3.1 | De kandidaat begrijpt de samenhang tussen missie, visie, organisatiedoelstellingen en afgeleide doelstellingen en kan beoordelen of doelstellingen duidelijk en bruikbaar zijn geformuleerd. | X | X | X | |
3.2 | De kandidaat kan voor een eenvoudige praktijksituatie een SMART-doelstelling formuleren. | X | |||
3.3 | De kandidaat begrijpt hoe interne sterkten en zwakten en externe kansen en bedreigingen invloed hebben op strategische keuzes en kan een eenvoudige SWOT-analyse interpreteren. | X | X | X | |
3.4 | De kandidaat kan op basis van organisatiedoelstellingen en beschikbare informatie een eenvoudige strategie of aanpak voorstellen en onderbouwen. | X | X | ||
4.1 | De kandidaat begrijpt het belang van planning en kan onderscheid maken tussen planning op strategisch, tactisch en operationeel niveau. | X | X | ||
4.2 | De kandidaat kan een passende planningsmethode of planningstechniek kiezen en toepassen in een eenvoudige praktijksituatie. | X | X | ||
4.3 | De kandidaat begrijpt het belang van prioriteiten, beschikbare capaciteit, tijd, middelen en afhankelijkheden bij het maken van een planning. | X | X | X | |
4.4 | De kandidaat kan voortgang en resultaten vergelijken met een planning of doelstelling en op basis van afwijkingen een passende bijsturing voorstellen. | X | X | ||
5.1 | De kandidaat begrijpt arbeids- en taakverdeling en kan beoordelen hoe taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden binnen een organisatie kunnen worden verdeeld. | X | X | X | |
5.2 | De kandidaat begrijpt horizontale en verticale taakverdeling, delegatie, taakverruiming en taakverrijking en kan deze begrippen in praktijksituaties toepassen. | X | X | ||
5.3 | De kandidaat begrijpt de relatie tussen spanwijdte, omspanningsvermogen, verantwoordelijkheid en de wijze waarop medewerkers worden aangestuurd. | X | X | X | |
5.4 | De kandidaat begrijpt het belang van samenwerken tussen functies, afdelingen en teams en kan knelpunten in de samenwerking herkennen. | X | X | X | |
6.1 | De kandidaat begrijpt gangbare organisatiestructuren en kan een organisatieschema lezen en interpreteren. | X | X | X | |
6.2 | De kandidaat begrijpt het verschil tussen formele en informele organisatie en kan de invloed daarvan op samenwerking en communicatie beoordelen. | X | X | X | |
6.3 | De kandidaat kan beoordelen welke organisatiestructuur of wijze van organiseren past bij een eenvoudige praktijksituatie. | X | X | ||
6.4 | De kandidaat begrijpt het werken met projecten, multidisciplinaire teams, hybride samenwerking en andere flexibele organisatievormen en kan hiervan voor- en nadelen beoordelen. | X | X | X | |
7.1 | De kandidaat begrijpt verschillende leiderschapsstijlen en kan beoordelen welke stijl past bij een medewerker, team of situatie. | X | X | X | |
7.2 | De kandidaat begrijpt hoe motivatie, betrokkenheid, autonomie en verantwoordelijkheid het functioneren van medewerkers kunnen beïnvloeden. | X | X | X | |
7.3 | De kandidaat begrijpt organisatie- en teamcultuur en kan herkennen hoe cultuur gedrag, samenwerking en prestaties beïnvloedt. | X | X | X | |
7.4 | De kandidaat begrijpt hoe conflicten en weerstand kunnen ontstaan en kan voor een eenvoudige situatie een passende aanpak voorstellen. | X | X | X | |
7.5 | De kandidaat begrijpt het belang van feedback, communicatie en psychologische veiligheid voor samenwerking en ontwikkeling binnen een team. | X | X | X | |
8.1 | De kandidaat begrijpt de belangrijkste onderdelen van personeelsbeleid, waaronder instroom, ontwikkeling, functioneren, beoordelen, doorstroom en uitstroom. | X | X | ||
8.2 | De kandidaat begrijpt het belang van leren en ontwikkelen, duurzame inzetbaarheid, werkdruk en welzijn van medewerkers. | X | X | X | |
8.3 | De kandidaat kan eenvoudige personeelsvraagstukken beoordelen vanuit zowel het belang van de organisatie als het belang van de medewerker. | X | X | ||
8.4 | De kandidaat begrijpt op hoofdlijnen de rol van de leidinggevende bij functioneren, verzuim, ontwikkeling en beëindiging van arbeidsrelaties. | X | X | ||
9.1 | De kandidaat begrijpt het doel van kwaliteitsmanagement en kan beoordelen hoe kwaliteit binnen een werkproces kan worden bewaakt en verbeterd. | X | X | X | |
9.2 | De kandidaat begrijpt het principe van plannen, uitvoeren, controleren en bijsturen en kan dit toepassen op een eenvoudig verbeterproces. | X | X | X | |
9.3 | De kandidaat begrijpt waarom organisaties veranderen en kan oorzaken van weerstand tegen verandering herkennen en beoordelen. | X | X | X | |
9.4 | De kandidaat kan voor een eenvoudige verander- of verbetersituatie passende acties voorstellen om medewerkers te informeren, betrekken en ondersteunen. | X | X | ||
10.1 | De kandidaat begrijpt de samenhang tussen belangrijke bedrijfsprocessen, waaronder financiële, commerciële, logistieke, personele en operationele processen. | X | X | X | |
10.2 | De kandidaat kan eenvoudige managementinformatie gebruiken om prestaties, voortgang of afwijkingen te beoordelen. | X | X | X | |
10.3 | De kandidaat begrijpt het verschil tussen effectiviteit en efficiency en kan beide begrippen toepassen op een bedrijfsproces. | X | X | X | |
10.4 | De kandidaat kan op basis van eenvoudige gegevens een knelpunt in een bedrijfsproces herkennen en een verbetervoorstel doen. | X | X | ||
11.1 | De kandidaat begrijpt hoe digitalisering en technologische ontwikkelingen invloed kunnen hebben op werkzaamheden, processen en management. | X | X | X | |
11.2 | De kandidaat begrijpt dat managers bij besluitvorming rekening houden met verschillende belangen, waaronder medewerkers, klanten, organisatie, maatschappij en duurzaamheid. | X | X | X | |
11.3 | De kandidaat begrijpt kansen en risico’s van het gebruik van data en digitale hulpmiddelen bij management en besluitvorming. | X | X | X | |
11.4 | De kandidaat begrijpt op hoofdlijnen hoe AI en automatisering werkzaamheden en besluitvorming binnen organisaties kunnen ondersteunen en welke verantwoordelijkheid bij de mens en de organisatie blijft liggen. | X | X | X |
Hoe ziet het examen Management eruit?
Het examen Management is een schriftelijk examen waarin je laat zien dat je managementkennis begrijpt en kunt toepassen in herkenbare beroepsgerichte situaties. Je werkt met onderwerpen zoals organisaties, strategie, planning, leiderschap, samenwerking, personeelsbeleid, kwaliteitsmanagement en veranderprocessen.
De vraagstelling is duidelijk en praktijkgericht. Het gaat niet alleen om het kennen van begrippen en modellen. Je moet deze ook kunnen toepassen, informatie uit een situatie kunnen beoordelen en waar nodig een passende managementkeuze kunnen maken en onderbouwen.
Schriftelijk examen
Het schriftelijke examen duurt 90 minuten en bestaat uit een combinatie van kennis- en begripsvragen en praktijkgerichte vragen en opdrachten. In verschillende opdrachten worden meerdere managementonderwerpen met elkaar gecombineerd.
Voor het volledige examen zijn maximaal 100 punten te behalen.
Wat kun je verwachten?
Tijdens het examen kunnen alle onderdelen uit de eind- en toetstermen aan bod komen. Je werkt onder andere met organisaties en hun omgeving, management- en besluitvormingsprocessen, doelstellingen en strategie, planning, taakverdeling, organisatiestructuren, leiderschap, motivatie en teamontwikkeling.
Ook onderwerpen zoals personeelsbeleid, duurzame inzetbaarheid, kwaliteitsmanagement, verandermanagement, bedrijfsprocessen en managementinformatie kunnen onderdeel zijn van het examen.
Daarnaast is er aandacht voor management in de actuele organisatie. Denk aan digitalisering, technologische ontwikkelingen, hybride samenwerking, data, automatisering, AI en duurzaamheid. Je hoeft hiervoor geen technisch specialist te zijn. Je moet vooral begrijpen welke invloed deze ontwikkelingen kunnen hebben op organisaties, medewerkers, processen en managementbeslissingen.
Je moet niet alleen begrippen herkennen. Waar dat bij de eindtermen past, selecteer je relevante informatie, beoordeel je een situatie, vergelijk je mogelijkheden en onderbouw je welke managementaanpak passend is.
Praktijkgerichte managementopgaven
Je kunt bijvoorbeeld een opdracht krijgen over een organisatie die groeit, waarin de samenwerking tussen afdelingen niet goed verloopt of waarin medewerkers te maken krijgen met een verandering. Ook kan een situatie gaan over werkdruk, motivatie, digitalisering, tegenvallende resultaten of een werkproces dat verbeterd moet worden.
Je kunt worden gevraagd om een SMART-doelstelling te formuleren, een SWOT-analyse te interpreteren, een organisatiestructuur te beoordelen, een passende leiderschapsstijl te kiezen, managementinformatie te gebruiken of een voorstel te doen voor een verandering of verbetering.
De informatie die je nodig hebt om de opdrachten te maken, staat in het examen.
Beoordeling en eindcijfer
Voor het examen kun je maximaal 100 punten behalen. Het cijfer wordt berekend met: behaalde punten ÷ 10 = cijfer. Het berekende cijfer wordt volgens de normale afrondingsregels afgerond op een geheel cijfer. Een score van 55 punten leidt daarmee tot het cijfer 6.
Ieder examen is uniek
Ieder LSSO-examen is uniek. De verschillende examenvarianten worden samengesteld vanuit dezelfde eind- en toetstermen en toetsen hetzelfde niveau. Organisaties, medewerkers, functies, gegevens en praktijksituaties kunnen per examen verschillen. Je bereidt je daarom voor op de managementkennis en vaardigheden en niet op één vaste set vragen of één voorbeeldcase.
Hulpmiddelen
Tijdens het examen mag je gebruikmaken van een pen en door LSSO verstrekt kladpapier. Eigen aantekeningen, lesboeken, mobiele telefoons, internet en andere niet vooraf toegestane hulpmiddelen mogen niet worden gebruikt.
Vrijstelling
Voor het examen Management is geen vrijstelling mogelijk. Om het LSSO-certificaat Management te behalen, leg je het volledige examen af.
Waar leg je het examen af?
Het examen wordt afgenomen onder verantwoordelijkheid van LSSO Examenbureau. Voorafgaand aan het examen wordt je identiteit gecontroleerd en tijdens de examenafname is toezicht aanwezig. Het examen kan worden afgelegd op de examenlocatie van LSSO in Eindhoven of, wanneer dit wordt aangeboden, bij een LSSO Education Partner.
Na het examen
Bij een voldoende resultaat ontvang je het LSSO-certificaat Management. Hiermee toon je aan dat je de getoetste managementkennis en -vaardigheden beheerst en kunt toepassen in beroepsgerichte situaties. Afhankelijk van de gekozen leerroute kan dit certificaat onderdeel zijn van een breder LSSO-diploma.
Voor het examen Management betaal je € 130,-*. Dit tarief geldt voor het volledige schriftelijke examen.
Het examentarief is inclusief de examenafname, het toezicht, de beoordeling en verwerking van het resultaat en de kwaliteitsborging van het examen. Ook de ontwikkeling en het beheer van verschillende examenvarianten zijn in het tarief opgenomen.
Herkansing
Heb je een onvoldoende resultaat behaald? Dan kun je het examen opnieuw afleggen. Je maakt bij een herkansing een nieuwe examenvariant. Voor een herkansing betaal je opnieuw € 130,-*.
Vrijstelling
De vrijstellingsregeling voor Management moet nog definitief worden vastgesteld.
Wil je daarnaast een fysiek certificaat ontvangen? Hiervoor betaal je € 10,- exclusief verzendkosten. Het certificaat wordt na aanvraag per post naar je verzonden.
* De genoemde examenprijs geldt voor kandidaten die het examen afleggen via een LSSO Education Partner. Is jouw opleider geen Education Partner, informeer dan bij jouw opleider naar de geldende examentarieven; deze liggen in veel gevallen minimaal € 25,- hoger.
Een goede voorbereiding begint met lesmateriaal dat aansluit op wat je tijdens het examen moet begrijpen en kunnen toepassen. Met het LSSO-lesmateriaal Management maak je kennis met de belangrijkste onderwerpen rondom het organiseren, aansturen en verbeteren van organisaties.
Je leert onder andere over organisaties en hun omgeving, managementniveaus, besluitvorming, doelstellingen, strategie, planning en organisatiestructuren. Daarnaast is er aandacht voor taakverdeling, delegatie, leiderschap, motivatie, organisatiecultuur, conflicthantering en personeelsbeleid.
Ook belangrijke bedrijfsprocessen komen aan bod. Je maakt kennis met onder andere kwaliteitsmanagement, verandermanagement, financiële processen, marketing, logistiek en productie. Het huidige boek bevat deze onderwerpen al als afzonderlijke onderdelen.
Extra aandacht bij de voorbereiding
Het huidige LSSO-lesmateriaal biedt een brede basis voor het examen Management. Voor een goede voorbereiding op het vernieuwde examen is op een aantal onderwerpen extra verdieping en oefening nodig. Dit kan zelfstandig of samen met jouw opleider.
Besteed extra aandacht aan het toepassen van managementkennis in praktijksituaties. Het is niet voldoende om alleen begrippen en modellen te kennen. Oefen ook met situaties waarin je informatie beoordeelt, een probleem herkent, verschillende mogelijkheden tegen elkaar afweegt en een managementkeuze onderbouwt.
Oefen bijvoorbeeld met situaties rondom planning en prioriteiten, taakverdeling, samenwerking, leiderschap, motivatie, teamontwikkeling, conflicten, personeelsvraagstukken en veranderingen binnen een organisatie.
Besteed daarnaast aandacht aan moderne manieren van organiseren en samenwerken. Organisaties werken steeds vaker met projecten, multidisciplinaire teams, hybride samenwerking en flexibele taakverdeling. Het is belangrijk dat je begrijpt wat dit betekent voor communicatie, verantwoordelijkheid, leiderschap en samenwerking.
Ook digitalisering en technologische ontwikkelingen hebben invloed op management. Denk aan het gebruik van digitale systemen, managementinformatie, data, automatisering en AI. Bij de voorbereiding is het belangrijk om te begrijpen welke mogelijkheden deze ontwikkelingen bieden, maar ook welke verantwoordelijkheid bij medewerkers, managers en de organisatie blijft liggen.
Duurzaamheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid spelen eveneens een grotere rol bij managementbeslissingen. Oefen daarom met situaties waarin niet alleen financiële en organisatorische belangen een rol spelen, maar ook de belangen van medewerkers, klanten en maatschappij.
Bij de voorbereiding ligt de nadruk daarmee steeds meer op begrijpen, toepassen, beoordelen en onderbouwen. Klassieke managementtheorie blijft belangrijk, maar je moet deze vooral kunnen gebruiken bij vraagstukken uit de huidige beroepspraktijk.
Lesboek en online leeromgeving
Het LSSO-lesboek inclusief toegang tot de online leeromgeving kost € 100,- exclusief verzendkosten.
Wil je alleen gebruikmaken van de online leeromgeving? Een losse toegangscode kost € 60,-. Hierbij is geen fysiek lesboek inbegrepen.
De toegangscode is vanaf het moment van activeren drie maanden geldig. De toegangscode is vanaf het moment van activeren drie maanden geldig. Het verlengen van de code met drie maanden bedraagt 15,- euro (totaal 180 dagen).
Het gebruik van LSSO-lesmateriaal is niet verplicht. Ook ander lesmateriaal kan worden gebruikt, mits dit de geldende eind- en toetstermen van Management volledig behandelt.
Referentieniveau: mbo 4
Het examen Management is afgestemd op mbo-niveau 4. Op dit niveau wordt van je verwacht dat je managementbegrippen niet alleen kent en begrijpt, maar deze ook kunt toepassen in herkenbare en actuele situaties binnen een organisatie.
Je laat zien dat je informatie kunt beoordelen, verbanden kunt leggen en kunt bepalen welke managementaanpak bij een situatie past. Daarbij werk je bijvoorbeeld met vraagstukken rondom doelstellingen en strategie, planning, organisatiestructuren, leiderschap, samenwerking, personeelsbeleid, kwaliteit en verandering.
Ook bij actuele ontwikkelingen wordt van je verwacht dat je de gevolgen voor een organisatie kunt overzien. Denk aan digitalisering, hybride samenwerking, duurzame inzetbaarheid, het gebruik van managementinformatie, automatisering en AI. Je hoeft hiervoor geen specialist te zijn. Het gaat erom dat je begrijpt welke invloed deze ontwikkelingen kunnen hebben op medewerkers, processen en managementbeslissingen en dat je een passende keuze kunt onderbouwen.
De vraagstelling is duidelijk en praktisch. Je hoeft geen uitgebreid strategisch managementadvies te schrijven. Wel moet je in staat zijn om informatie uit een praktijksituatie te selecteren en te beoordelen, verschillende mogelijkheden tegen elkaar af te wegen en tot een logische en onderbouwde conclusie te komen.
Het LSSO-certificaat Management is een branchegericht certificaat op mbo-niveau 4. Het certificaat is niet hetzelfde als een wettelijk erkend mbo-diploma, maar toont aan dat je de getoetste managementkennis en -vaardigheden op het vastgestelde niveau beheerst. Afhankelijk van jouw leerroute kan het certificaat onderdeel zijn van een bredere LSSO-diplomaroute.
LSSO Onderwijsgroep streeft naar een examenproces waarin betrouwbaarheid, transparantie, rechtsgelijkheid en kandidaatgerichtheid centraal staan. Lees in ons examenreglement hoe we dat bewerkstelligen.
Aanbevolen lesmateriaal


